Kurt Himpe
Schepen & Provincieraadslid N-VA
  Startpagina
  Curriculum
  Agenda
|    
  Gemeenteraad
  Provincieraad
  Bevoegdheden
|    
  Verwijzingen
  Verkiezingen
  Publicaties
|    

 

     
  Contact stadhuis:
  Korenmarkt 10 | 8870 Izegem
  051- 33.73.00 | 0486- 63.46.13

  kurt.himpe@izegem.be 

 
  Contact privé: 
  Baronstraat 4 | 8870 Izegem
  0486- 63.46.13
  kurt.himpe@n-va.be
     
     
     

 

 

Publicatie

 

Persmededelingen

Persoverzicht

 

Herman Vos. Van Frontpartij naar Belgische Werkliedenpartij

Heemkundig Handboek voor de Antwerpse Regio

Maart 1996

De Heer Herman Vos, leider van de Frontpartij, verlaat haar en treedt tot de Belgische Werkliedenpartij toe”. Deze krantenkop op de frontpagina van Volksgazet, de Antwerpse socialistische krant, maakte op 1 november 1933 zijn lezers de politieke stap van Herman Vos bekend.

Uit een onderzoek blijkt dat Vos’ beslissing geen verrassing inhield en dat hij verschillende beweegredenen had om van de Vlaams-nationalistische Frontpartij naar de Belgische Werkliedenpartij (BWP) over te stappen.

Herman Vos vóór het afscheid [1]

Herman Vos werd op 30 maart 1889 in Antwerpen geboren. Na zijn middelbare studies vond hij een betrekking op het Gemeentelijk Bureau voor Statistiek en volgde colleges aan het Sociologisch Instituut van de Brusselse Universiteit.

 Tijdens de Eerste Wereldoorlog werkte hij op een bureau, opgericht door het Antwerpse stadsbestuur, met als opdracht de noodzakelijke connecties met de Duitse overheid te onderhouden. Paul van Ostayen en Marten Rudelsheim waren in die periode zijn collega’s. Uit hun politieke discussies werd een gedeelte van het Antwerpse activisme, een beweging die met behulp van de bezetter de Vlaamse kwestie wilde activeren en de Vlaamse eisen wilde doordrukken, geboren.

De overgang van discussies naar politieke stellingname was voor Vos niet erg groot: in 1917 trad hij tot de Raad van Vlaanderen toe. Deze Raad werd op 4 februari 1917 op initiatief van de Duitse bezetter als een volksvertegenwoordiging opgericht. In tegenstelling tot de meerderheid van de leden die tot de separatistische strekking hoorde, wilde Herman Vos geen einde maken aan het Belgische staatsverband. Toen de Raad van Vlaanderen de zelfstandigheid van Vlaanderen op 22 december 1917 uitriep, trad hij samen met Marten Rudelsheim en Antoon Jacob uit. Na een zogenaamde volksraadpleging werd in maart 1918 een nieuwe Raad van Vlaanderen opgericht, die op 27 september 1918 voor het laatst vergaderde. Zijn deelname aan de Raad betaalde Herman Vos na de oorlog met een gevangenisstraf van drie jaar.

In 1920 kwam Vos bij het secretariaat van de Vlaams-nationalistische Frontpartij en werd hoofdredacteur van het Antwerpse nationalistische weekblad De Ploeg (1920-1925) en hoofdredacteur van het Brusselse Het Vaderland (1926-1932). Van 1928 tot en met 1933 was hij hoofdredacteur van het Antwerpse Vlaams-nationalistische dagblad De Schelde, [2] waaraan hij al vóór 1928 dikwijls meewerkte.

Het Vlaams-nationalisme had zich na de oorlog en de ondervindingen van het activisme in 1919 in een Vlaams Front, kortweg Frontpartij genoemd, georganiseerd. Het Front hield, vooral wat de schoolkwestie betrof, vast aan het godsvredebeginsel. Dit hield een opschorting van alle andere dan politieke kwesties in, om zo de meningsverschillen, vooral tussen katholieke en niet-katholieke nationalisten naar de achtergrond te schuiven. Want terwijl het Vlaams-nationalisme op het platteland hoofdzakelijk katholiek was, waren in Antwerpen en andere Vlaamse steden vooral vrijzinnigen geconcentreerd.

Antwerpen gaf de toon aan van een links-democratische politiek, wat niet altijd naar de zin was van vele katholieke nationalisten. Van bij aanvang zou die links-democratische strekking in radicale, katholieke milieus aangevochten worden. Daar zouden dan ook de eerste sporen van een anti-democratische, autoritaire stroming van het streven naar een nieuwe orde getrokken worden.

Herman Vos moest tot de verkiezingen van 1925 wachten vooraleer hij op de Kamerlijst van de Frontpartij werd geplaatst [3]. Hij werd verkozen en werd vrij snel fractieleider. Typerend voor zijn parlementaire activiteiten was de grote zin voor realisme en gematigdheid, kenmerken die soms met die van de radicale nationalisten in botsing kwamen.

Herman Vos’ actie met de grootste draagwijdte was zeker de Bormsverkiezing in 1928. In Antwerpen stierf een liberaal volksvertegenwoordiger en omdat er geen plaatsvervangers waren, was een tussentijdse verkiezing nodig. Alleen de liberale partij, de twee concurrerende communistische partijen en de Frontpartij stelden een kandidaat voor. De socialisten en de katholieken riepen op om blanco te stemmen. De kandidaat van de Frontpartij, August Borms, kon niet eens zetelen: hij zat in de gevangenis voor collaboratie en was zijn burgerrechten kwijt. In 1925 was Borms niet als kandidaat voorgesteld omdat de partij geen zetel op het spel wou zetten.

Borms was een activistisch symbool voor amnestie geworden. Het was dan ook het opzet van Vos deze tussentijdse verkiezing tot een referendum tegen de anti-Vlaamse politiek in het algemeen en over de amnestie in het bijzonder te maken. Het resultaat was overdonderend en onverwacht: 83.058 kiezers stemden voor Borms, terwijl de liberale kandidaat 44.410 stemmen en de communistische kandidaten 3.083 en 2.615 stemmen haalden. 58.052 kiezers brachten een ongeldige of een blancostem uit.

Deze verkiezingsuitslag had een schokeffect, waarvan de flaminganten trachtten gebruik te maken [4].  De Franstalige patriotten vreesden voor de Belgische eenheid en de Belgische politici waren eindelijk bewust van de omvang en de ernst van het Vlaamse vraagstuk. Kort nadien kwamen de drie grootste partijen met hun voorstellen tot oplossing ervan naar voren. De Vlaams-nationale agitatie, met de steun van Hollandse Groot-Nederlanders, hielp de regering overtuigen om het talenvraagstuk aan te pakken [5]. De “genadewet”, waardoor de activisten geen vervolging meer te vrezen hadden, was al door de Kamer goedgekeurd. De goedkeuring door de Senaat werd waarschijnlijk door de Bormsverkiezing ondersteund. De Rijksuniversiteit van Gent werd in 1930 vernederlandst. In 1932 kwam een taalwet in verband met onderwijs en bestuurszaken tot stand. Het verkiezingssucces van de Frontpartij in 1929 (een toename van vijf zetels) kan gedeeltelijk aan de Bormsverkiezing worden toegeschreven.

Het afscheid en de verantwoording

Van Frontpartij naar Vlaams Nationaal Verbond (VNV)

De Vlaams-nationalisten bleken echter niet in staat om het verkiezingssucces van 1929 en de invloedsvergroting duurzaam te maken. Van 1929 tot 1932 werd het Vlaams-nationalisme met een periode van verwarring en interne verdeeldheid geconfronteerd. Toen ondervond de Vlaamse beweging de weerslag van de corporatistisch-autoritaire stroming in het buitenland. Die weerslag werd gevoed door de economische crisis. Politiek gezien was de breuk tussen de Frontpartij en de West-Vlaamse volksvertegenwoordiger Joris van Severen, die in 1931 het Verbond der Dietse Nationaal-Solidaristen (Verdinaso) oprichtte, het belangrijkst. Het Verdinaso streefde naar een politieke vereniging van Nederland en België en naar een autoritaire regeringsvorm.

Herman Vos beschikte over te weinig politieke capaciteiten om de eenheid binnen het nationalistische kamp te bewaren. De enige poging die ondernomen werd, was het opstellen van een Federaal Statuut voor België, in feite een grondwetsherziening, een poging om België om te vormen tot een bondsstaat, waarbij de beide delen soeverein zouden zijn, behalve op de domeinen waar gemeenschappelijke instellingen de soevereiniteit zouden hebben: buitenlandse politiek, tolwezen, verkeerswezen...

Over het auteurschap van het Federaal Statuut zijn er twee visies. Volgens de eerste visie zou Herman Vos het geschreven en het dus ook gesteund hebben: “Vóór 1933 immers was hij een overtuigd federalist - getuige zijn Federaal Statuut - [...][6]. Volgens de tweede visie [7], waarbij wij ons willen aansluiten, hebben Pieter Geyl en Frederik Gerretson, allebei Nederlandse historici-journalisten-literatoren, het Federaal Statuut geschreven. Herman Vos zou de enige Vlaming geweest zijn die erbij betrokken werd, naast nog Nederlanders en ballingen. Vos zou de taak gehad hebben om het Statuut te promoten bij de Frontpartij, maar daarvoor zou hij weinig ijver getoond hebben [8].

Vos kon de parlementairen van de Frontpartij ertoe brengen hun handtekening te plaatsen onder het wetsvoorstel. Maar op de dag dat de Kamer het voorstel in overweging zou nemen, trokken de twee radicalen Ward Hermans en Jeroom Leuridan hun handtekening in. De poging om de eenheid te herstellen mislukte. Het verzet groeide en Vos ondernam volgens Elias nauwelijks iets om het Statuut te verdedigen [9].

De verdeeldheid bij de nationalisten leidde in oktober 1933 tot de omvorming van de Frontpartij tot het VNV, het Vlaams Nationaal Verbond. Het VNV verliet de godsvrede om een pro-katholiek standpunt in te nemen. In Antwerpen wilde de Frontpartij eerst niet aansluiten omdat ze het godsvredebeginsel trouw wilde blijven. De overgang was verward en een aantal sociaal vooruitstrevende vrijzinnigen lieten het afweten. Herman Vos hoorde tot die laatste groep. In een brief aan Geyl liet hij weten: “Met de onderhandelingen hier over het eenheidsfront staat het zeer slecht. Het is nu haast uitgemaakt dat Antwerpen zal moeten likwideren en dat ik uit De Schelde zal moeten treden. Ik kan de evolutie voor die organische, corporatieve, autoritaire staatsleer, waarop men ons nu wil binden - allen zijn daarover akkoord behalve Antwerpen - niet meemaken[10]. In zijn artikel “Mijn afscheid en mijn verantwoording” in De Schelde lezen we: “Een eenheidsfront bleek niet mogelijk, waar men mij, en degenen die denken zoals ik, wou binden op een sociale leer die ik niet deel[11]. Vos, die een democraat was, had theoretische bezwaren tegen een autoritair-corporatief, dus anti- democratisch idee. Ook was voor de Antwerpse Vlaams-nationalist de volstrekste ontkenning van het Marxisme in al zijn vormen moeilijk te aanvaarden [12].   

Verschillende opvattingen over de Groot-Nederlandse gedachte

Naast die rechtse verschuiving binnen het nationalistische kamp waren ook de verschillende opvattingen wat de Groot-Nederlandse gedachte inhield een belangrijke reden voor Vos om op te stappen. In een interview in de Antwerpse socialistische krant Volksgazet lezen we: “Ik ben altijd voor een culturele eenheid van Vlaanderen en Nederland opgekomen en als ik bij de extremisten als een neo-belgicist bestempeld word, dan is het omdat ik een politiek toegespitste Groot-Nederlandse gedachte voor de onwezenlijkheid der onwezenlijkheden houd[13].

De Groot-Nederlandse gedachte was, net zoals het activisme, tijdens de Eerste Wereldoorlog ontstaan. “Vier jaar intense Duitse propaganda had niet alleen geleid tot een belangrijke Nederlandse bijdrage in het scheppen van een activisme in de schoot van de Vlaamse beweging, maar had ook haar uitwerking niet gemist op Nederland zelf. Ze had een Groot-Nederlandse beweging geschapen die beperkt was in haar omvang stricto sensu, maar die wortels had in allerlei sectoren van de publieke opinie die toegankelijk voor de Duitse invloeden waren geweest[14].

De politiek toegespitste Groot-Nederlandse gedachte kwam neer op een vernietiging van het Belgische staatsverband. In het al geciteerde interview in Volksgazet van 1 november 1933 zei Vos “dat hij geloofde in een nationaliteitenstaat, een geloof in de mogelijkheid van een met recht en rechtvaardigheid te verzoenen Belgische nationaliteitenstaat waarin Vlamingen en Walen inderdaad broederlijk naast elkaar konden wonen”. 

De kanalenkwestie: Vos contra Geyl en Gerretson

De Groot-Nederlanders speelden een leidende rol in het verzet tegen het Belgisch-Nederlandse verdrag over de waterwegen. Zolang de Groot-Nederlanders invloed hadden, werd een verdrag in verband met de waterwegen tegengehouden. Geyl en Gerretson zouden in dat verzet een sleutelpositie gehad hebben. Geyl was vanaf 1919 persattaché van het Nederlandse gezantschap in Londen. Hij had als taak Engelse steun te bekomen met het oog op de bestrijding van de Belgische aanspraken op herziening van de verdragen van 1839, van onder andere de opgelegde neutraliteit, de overdracht van het Groot-Hertogdom Luxemburg, Maastricht en Nederlands-Limburg en op een verbetering van het statuut van de Schelde en het kanaal van Terneuzen. De Nederlanders waren immers niet van plan om tot vrijwillige gebiedsafstand over te gaan.

Maar ook Gerretson had een belangrijke rol in dat verzet. In januari 1929 kon hij De Schelde kopen. Hij was het die voorschreef wat er in de krant moest verschijnen over de kanalenkwestie. Vos wilde echter een gunstige situatie voor Antwerpen. De overeenkomst tot het graven van het Moerdijkkanaal werd verworpen. Vos was door die verwerping teleurgesteld, omdat er geen motie voor nieuwe onderhandelingen door de Eerste Kamer werd aangenomen in de plaats ervan. Herman Vos voelde zich door Gerretson in de steek gelaten, omdat hij Vos had gezegd dat de Groot-Nederlanders voor een ander kanaal zouden zorgen [15].

Na de aankoop van De Schelde door Gerretson werd Herman Vos hoofdredacteur van het blad. Hij was echter volledig afhankelijk van Gerretson en Geyl. Ofwel moest hij door Geyl ondertekende artikels opnemen, ofwel werd hij verzocht om er zijn eigen naam of initialen onder te zetten. Ook Gerretson liet zijn artikels opnemen. Vos zwakte het anti-Belgische karakter van de artikels soms af, waarvoor hij dan berispt werd [16].

Maar het ging nog verder: “Brieven en artikels die de Nederlandse persattaché in Londen aan Britse bladen richtte, over de Belgisch-Nederlandse kanalenkwestie en tegen België in het algemeen, moest Vos zoals tevoren ondertekenen. Hetzelfde in De Schelde, zelfs als het artikel tegen Vos’ opinie en tegen de Antwerpse belangen inging. Vos moest ook voortgaan met in het Belgische parlement vragen te stellen die door de Rotterdamse zakenman Gerretson opgesteld waren, waarachtig niet om de Belgische, Vlaamse of Antwerpse belangen te dienen[17]. Deze afhankelijkheid ten opzichte van de Groot-Nederlanders Geyl en Gerretson was voor Vos een zware last.

De parlementsverkiezingen van 1932 en de gevolgen voor Herman Vos

Het begin van de jaren dertig werd niet alleen gekenmerkt door een verrechtsing binnen het Vlaams-nationalistisch kamp. Ook de economische crisis stak de kop op. Het begrotingstekort steeg boven het miljard en de toename van het aantal werklozen wekte onrust. De katholiek-liberale regering onder leiding van de katholiek Renkin zag de oplossing in een beleid van deflatie en bezuinigingen. Deze politiek werd beantwoord met een reeks van grootscheepse stakingen. Na de gemeenteraadsverkiezingen van 1932 diende Renkin zijn ontslag in nadat de liberalen dit herhaaldelijk hadden gevraagd. Charles de Broqueville werd gelast met de formatie van een nieuwe regering. Zijn eerste actie bestond uit het ontbinden van het parlement en het uitschrijven van verkiezingen op 27 november.

Men zou verwacht hebben dat de verkiezingsstrijd zich om de economische en financiële problematiek zou afspelen. maar de Broqueville herhaalde de succesvolle actie van 1912. De katholieken maakten de verdediging van de vrije scholen, onder de leuze “Red de schone ziel van het kind”, tot de inzet van hun campagne. Dit werd voor hen gemakkelijker door de houding van de twee andere grote partijen. In november 1931 hadden de socialisten op hun jaarlijks congres al besloten, onder de oppositie van het merendeel van de Vlaamse partijgenoten, te ijveren voor de afschaffing van de toelagen voor de vrije scholen. Ook het liberale partijcongres had zich in juni 1932 tegen het bestaande stelsel verklaard. Een ander teken van de groeiende klerikaal-antiklerikale tegenstelling was de verbreking, ná de gemeenteraadsverkiezingen, van de elf jaar oude coalitie van katholieken en socialisten in het Antwerpse stadsbestuur en de vorming van een socialistisch-liberaal college van burgemeester en schepenen. De socialist Camille Huysmans werd er burgemeester.

De verkiezingen werden door de Katholieke Partij voor het eerst sinds de oorlog in gesloten gelederen gevoerd. Er waren nauwelijks dissidente lijsten. Het resultaat liet voor de katholieken niet te wensen over: ze hadden een winst van drie zetels. De socialisten hadden ook drie zetels winst, terwijl de liberalen er vier en de Frontpartij er drie verloren: één in het arrondissement Roeselare-Tielt en twee in de provincie Antwerpen. Op de dag dat Gent een verkozene kreeg, Hendrik Elias, verdween Antwerpen met Vos uit het parlement. De verzwakking van het vrijzinnige bolwerk Antwerpen had tot gevolg dat het katholieke element in de nationalistische beweging nu een volkomen overwicht kreeg: een onhoudbare situatie voor de vrijzinnige Vos. De tegensteling binnen het Vlaams-nationalistische front had haar tol geëist.

Vos was over de campagne van de katholieken in een brief van 2 december 1932 aan Geyl heel duidelijk: “De doorslag heeft de confessionele propaganda van de staatskatholieken gegeven. Daartegen konden we niet op. Het was pompen of verzuipen en ik ben tot het uiterste gegaan[18]. Die confessionele propaganda was volgens Vos dus de hoofdreden voor het afhaken van de katholieke kiezers. Hendrik Borginon was echter van oordeel dat het verlies van Vos te maken had met het gebrek aan eigen activiteit in zijn kiesdistrict [19]. Of was het de interne verdeeldheid en de ruzie met Ward Hermans die zovele kiezers deed afhaken?[20]

Het niet verkozen zijn, had voor Vos grote gevolgen. Zo verloor hij een belangrijke, zo niet dé belangrijkste bron van inkomsten. In verschillende brieven werd daarop gealludeerd. In een door Geyl geschreven brief lezen we dat “Vos van geleend geld moest leven[21]. Herman Vos werd nochtans volledig bezoldigd hoofdredacteur nadat zijn salaris als parlementair was weggevallen. Dit inkomen werd door de partij betaald [22], maar was dus blijkbaar ontoereikend. Dat Herman Vos overstapte, enkele dagen nadat hij een functie door de socialist De Man aangeboden kreeg en zo “zijn materieel bestaan verzekerde[23], kan ook als een bewijs van zijn financiële beweegredenen gezien worden. De aangeboden functie zorgde er immers voor dat Vos “het materieel, volgens de omstandigheden, goed stelde[24].

De keuze voor de Belgische Werkliedenpartij 

Met het overstappen naar de BWP ging Herman Vos in op het verzoek van de leider van de Antwerpse federatie van de BWP, Camille Huysmans. Tussen hen bestond al jaren een goede verstandhouding. De uitnodigingen van Huysmans aan het adres van Vos om bij de socialisten aan te sluiten, worden verschillende keren beschreven in de briefwisseling tussen Vos en Geyl [25].

Uit het artikel “Mijn afscheid en mijn verantwoording” in De Schelde kunnen we afleiden dat de overstap naar de BWP voor Vos een voor de hand liggende keuze was: “Van socialistische geest is mijn nationalisme altijd doordrenkt geweest: ik heb nu de volle strijd voor die idee, met al haar implicaties, in het gevormde kader aanvaard”.

In het interview in Volksgazet van 1 november 1933 vernemen we meer over die “socialistische geest”. Het doel van de Vlaamse beweging was de ontplooiing van het Vlaamse volk, die door de taalverdrukking en door de niet-erkenning van een Vlaamse volkspersoonlijkheid totaal onmogelijk werd gemaakt. Volgens Vos “is deze beweging in haar oorsprong en ontwikkeling niet te begrijpen zonder de maatschappelijke ‘cleavage’ die deze verdrukking heeft bepaald, namelijk de strijd van de kleine Vlaamse lieden (boeren, arbeiders en kleine middenstand)“. De Vlaamse beweging had haar sterke impuls van deze maatschappelijke groepen ontleend. De Frontpartij was echter een zuiver nationale partij zonder inhoud. Voor Vos was de tegenstelling over de oriëntatie van het maatschappelijk bevrijdingskamp, namelijk dat een zuiver nationale partij zonder sociale inhoud op den duur onbestaande is, dan ook te voorzien.

De reactie van de Antwerpse pers

Op 1 november 1933 schreef Herman Vos in De Schelde een artikel waarin hij de beweegredenen voor zijn politieke stap duidelijk maakte. Vos drukte de lezers op het hart dat hij zonder wrange spijt op het verleden, dat voor hem afsloot, terugkeek. In diezelfde krant werd ook een anonieme reactie van de beheerraad van De Schelde opgenomen. Daarin stond te lezen dat de krant haar roeping zou trouw blijven, vrij en onafhankelijk zou verderwerken. De beheerraad was diep getroffen omwille van het feit dat Herman Vos zijn taak als hoofdredacteur niet verder kon zetten. Het artikel eindigde met een eregroet aan Vos.

Diezelfde dag verscheen op de frontpagina van Volksgazet, de officieel-socialistische Antwerpse krant, een uitgebreid interview met Vos. Daarin legde hij uit dat er drie redenen waren voor zijn politieke beslissing: de tegenstelling over het maatschappelijke bevrijdingskamp, de andere opvatting over de Groot-Nederlandse gedachte en de zucht naar ware democratie.

De Antwerpse centraal-liberale krant De Nieuwe Gazet pakte op 2 november met een eerste reactie uit. Volgens de journalist betekende de stap van Vos het einde van het Vlaams-nationalisme. De Vlaams-nationale ideeën van Herman Vos werden gezien als een verdwazing, die volgens de liberalen niet als hopeloos werd aanzien. Met genoegen zagen ze bij het overstappen hun diagnose bevestigd. Als verantwoording voor de politieke beslissing haalden ze aan dat hij het als eerlijk en verstandig mens onmogelijk langer kon uithouden in het Vlaams-nationalistische milieu.

Op de stelling dat Vos’ beslissing het einde van het Vlaams-nationalisme betekende, lezen we een reactie in De Schelde van 5 november 1933. Daarin werd geschreven dat de journalisten die dat beweerden, personen met zaken verwarden. Niemand kon de Vlaams-nationale gedachte in pand hebben.

De conservatief-christelijke krant, de Gazet van Antwerpen, was karig met informatie. het artikel van 2 november 1933 met betrekking tot Vos’ beslissing stond, in tegenstelling met de andere kranten, niet op de frontpagina. Qua inhoud was dit artikel een kopie van het interview van De Volksgazet van 1 november. De motivering van Vos werd als volgt in drie punten samengevat: Herman Vos achtte een politiek toegespitste Groot-Nederlandse gedachte als inactueel en onwezenlijk. Volgens Vos was het onmogelijk om alleen bezig te zijn met vrijheidsnationalisme en onverschillig te blijven op sociaal vlak. Het heengaan was ook een gevolg van uiteenlopende opvattingen over het maatschappelijke vraagstuk.

Herman Vos bij de BWP [26]

Dat Herman Vos een functie in het Bureau voor Sociaal Onderzoek door Hendrik de Man werd aangeboden vóór het bekendmaken van zijn politieke beslissing was niet algemeen geweten, zo blijkt uit het personderzoek. Maar in een brief aan Geyl van 2 november 1933 schreef Vos: “Voor een tiental dagen, vlak na mijn terugkeer uit Londen, werd ik opgebeld door Hendrik de Man [...]. De Man bood mij onmiddellijk een leidende post, chef van de redactiedienst, aan, wat niet enkel mijn materieel bestaan verzekerde, maar mij ook een sleutelpositie bezorgde in de socialistische werkliedenbeweging[27].

Aangezien hij vóór de Eerste Wereldoorlog op het Gemeentelijk Bureau voor Statistiek gewerkt had en hij colleges aan het Sociologisch Instituut van de Brusselse Universiteit gevolgd had, was het geen verrassing dat Herman Vos door Hendrik de Man gevraagd werd om een functie in het Bureau voor Sociaal Onderzoek te bekleden. Het Bureau was opgericht om het plansocialisme voor België om te zetten in een Plan van de Arbeid.

Naast Hendrik de Man, die de leiding over het Bureau had, waren er nog vier vaste medewerkers, waaronder A. Halasi, een gewezen hoogleraar, en Herman Vos. Dit bureau stelde 22 commissies samen, bestaande uit de meest ervaren en vooraanstaande partijleden. Ze moesten zorgen voor de uitwerking van het Plan in wetsvoorstellen. Herman Vos zorgde voor de coördinatie van de redactie. Het werk resulteerde in een uitgebreid boek “De uitvoering van het Plan van de Arbeid”, dat in 1935 verscheen.

Het Plan wilde de hand leggen op de financiële wereld en de industrie door het bank- en kredietwezen en de sleutelindustrieën te monopoliseren. De controle hierop was fundamenteel. De overheid kreeg zo een heel belangrijke taak, maar aan het privé-initiatief zou verder niet geraakt worden. Het Plan betekende dus een invoering van een gemengde economie, een harmonie tussen privé-initiatief en de regulerende staat. Op deze manier voelde de middenstand zich niet bedreigd. Arbeiders en middenstand zouden samen één grote familie kunnen vormen, tegen het grootkapitalisme en met de afwending van het nationaal-socialisme.

Toen Hendrik de Man in 1935 tot de eerste (katholiek-liberaal-socialistische) regering van Zeeland toetrad en de regeringsverantwoordelijkheid aanvaardde zonder dat aan de conditie was voldaan, namelijk het hele Plan in het regeringsprogramma op te nemen, kende de propaganda voor het nieuwe socialisme een crisis. De katholiek Paul van Zeeland steunde toch een aantal van de besluiten van het Plan, uitgezonderd de belangrijkste zoals de nationalisering van het krediet en de controle op de holdings.

De werkzaamheden van het Bureau voor Sociaal Onderzoek liepen ten einde omdat de opdracht, het Plan van de Arbeid in wetsvoorstellen concretiseren, volbracht was en ook omdat het Plan zijn politieke betekenis had verloren door de deelname van de BWP aan de regering zonder Plan. Hiermee was ook de taak van Vos voltooid.

Hij hoopte na die wetenschappelijke opdracht een politieke rol te kunnen spelen. Hierin slaagde hij maar gedeeltelijk. In 1936 werd hij provinciaal senator voor Antwerpen. Hij zou dit ambt tot 1946 bekleden. Hij werd senator voor Antwerpen omdat hij in het arrondissement Turnhout niet verkozen was. Hij week waarschijnlijk naar Turnhout uit, omdat hij geen tegenstander van zijn vroegere partijgenoten wou zijn.

In juni 1937 nam hij het woord in de Senaat tijdens een debat over het regeringsontwerp over amnestie. Deze tussenkomst was de aanleiding voor een aantal discussies in de BWP tussen Vlamingen en Walen. Hij kon echter geen voordeel uit zijn actie halen en het politiek prestige voor hem in de BWP liet op zich wachten. Vóór de Tweede Wereldoorlog stak Herman Vos nog twee maal zijn nek uit: op het Vlaams Socialistisch Congres van 1937 en ter gelegenheid van de socialistische herdenking van de Guldensporenslag in Kortrijk in 1939. Hij was wel niet actief bij de organisatie van deze twee gebeurtenissen betrokken.

Ondertussen kreeg hij ook een journalistieke functie in Vooruit, het Gentse socialistische dagblad en in De Volksgazet. In 1938 breidde Vos zijn journalistieke activiteiten uit door toe te treden tot de redactie van het tijdschrift Leiding, opgericht door Hendrik de Man.

Toen de Duitse troepen in mei 1940 België binnenvielen, vluchtten een aantal politici naar Frankrijk. Vos volgde hun voorbeeld. Hij was ook in Limoges toen de gevluchte parlementairen de houding van de koning scherp veroordeelden. De capitulatie van het Belgische leger en de overgave van koning Leopold III werden in Frankrijk immers als verraad beschouwd.

Herman Vos keerde tijdens de oorlog naar België terug en trad in 1941 tot het Politiek Comité van de Weerstand toe, in België gevormd op initiatief van de regering Pierlot. De taak van het Comité was tweevoudig: de regering over de situatie in bezet België informeren en het verzet tegen de bezetter in de magistratuur, de financiële en industriële wereld stimuleren.

Bij de terugkeer uit Londen breidde de Belgische regering zich met een aantal leden van het verzet uit. Zo werd Herman Vos minister van Openbare Werken op 27 september 1944 tot 20 maart 1947. Daarna was hij minister van Openbaar Onderwijs en Belgisch afgevaardigde bij de UNO. In 1952 overleed Vos na een ziekte.

Besluit

De overstap van Herman Vos van de Frontpartij naar de BWP hield dus duidelijk geen verrassing in en was geenszins een onbezonnen beslissing.

Vos’ gematigdheid stond lijnrecht tegenover de verrechtsing van het Vlaams-nationalisme in het begin van de jaren dertig: een autoritair-corporatieve stellingname kon hij niet aanvaarden. Hij kon zich dan ook niet thuisvoelen in een omvorming van de Frontpartij tot het VNV in oktober 1933. Ook de politiek toegespitste Groot-Nederlandse gedachte, die een vernietiging van het Belgische staatsverband inhield, botste met de gematigde opvattingen van Vos. Om die reden en omwille van de tegengestelde belangen die hij moest verdedigen in de Antwerpse krant De Schelde, werd de afhankelijkheid ten opzichte van de Groot-Nederlanders Gerretson en Geyl hem te veel. De verkiezingen van 1932 leidden tot een nederlaag voor de Frontpartij. De confessionele campagne van de katholieken en de verdeeldheid binnen het Vlaams-nationalistische kamp lagen daarvoor aan de basis. Het niet verkozen zijn leidde voor Vos tot financiële problemen. Het herhaaldelijke aanbod om toe te treden tot de BWP gaf hem in die periode enige vorm van zekerheid. Dit was echter niet de enige reden voor de vrijzinnige Vos om in te gaan op het verzoek. We zouden het politieke denken en handelen van Herman Vos kunnen omschrijven als een zoeken naar een evenwicht tussen nationalisme en socialisme: zijn nationalisme was op een socialistische leest geschoeid.

 



[1] . Claeys-Van Haegendoren, M. “Herman Vos en de Vlaamse beweging”. Ons Erfdeel, XIII (1970) 87-94. Encyclopedie van de Vlaamse beweging, deel II, Tielt, 1973-1977. Van Haver, G. Onmacht der verdeelden. Katolieken in Vlaanderen tussen demokratie en fascisme.1929-1940. Berchem, 1983. Van Molle, P. Het Belgisch Parlement, 1894-1969. Ledeberg, 1969.

[2] . De Frontpartij beschikte tussen de twee wereldoorlogen altijd over een eigen dagblad. De

[3] . Een kandidaatstelling voor de verkiezingen van 1921 werd door de Antwerpse partijleiding (van Puymbrouck en Picard), gezien Vos’ activistisch verleden, als ontactisch geacht. Het zou enkel tot stemverlies leiden.

[4] . Wils, L. en Gerard, E. “Het ACW, de katholieke partij en de taalwetgeving, 1929-1932”. Wetenschappelijke Tijdingen, LV (1996) 239.

[5] . Wils en Gerard, ibid.

[6] . Zie o.a. Claeys-Van Haegendoren, M. o.c., 92 en Van Hees, P. en Puchinger, G. Briefwisseling, deel II, Baarn, 1980, 9.

[7] . Wils, L. “Nog eens: Gerretson, Geyl en Vos”. Wetenschappelijke Tijdingen, XLII (1983) 59.

[8] . “Gerretson, Geyl en Vos. Spanningen tussen de Groot-Nederlandse beweging en de Vlaams-nationalistische” in Wils, L. Vlaanderen, België, Groot-Nederland. Mythe en geschiedenis. Leuven, 1994, 292-320.

[9] . De Wever, B. Greep naar de macht. Vlaams-nationalisme en Nieuwe Orde. Het VNV 1933-1945.

[10] . De Wever, B. o.c., 103.

[11] . De Schelde, 1 november 1933.

[12] . Picard, L. Van Vlaamse Beweging naar Sociale Revolutie. Antwerpen, 1961, 194.

[13] . Volksgazet, 1 november 1933.

[14] . Wils, “Gerretson, Geyl en Vos...”, 296.

[15] . Wils, o.c., 292-320.

[16] . Wils, o.c., 306.

[17] . Wils, ibid.

[18] . Geyl en Vlaanderen, deel II, nr. 354.

[19] . Geyl en Vlaanderen, deel II, nr. 357.

[20] . Elias, H.J. 25 jaar Vlaamse Beweging 1914-1939. Deel 3. Antwerpen, 1972, 118-119.

[21] . Geyl en Vlaanderen, deel II, nr. 358.

[22] . Briefwisseling Gerretson-Geyl, deel II, nr. 417.

[23] . Geyl en Vlaanderen, deel III, nr. 372.

[24] . Geyl en Vlaanderen, deel III, nr. 375.

[25] . In 1929 en 1932 had Huysmans al gezegd dat Vos welkom was in de Belgische Werkliedenpartij.

[26] . Claeys-Van Haegendoren, M. o.c., 87-94.

[27] . Geyl en Vlaanderen, deel III, nr. 372.