Kurt Himpe
Schepen & Provincieraadslid N-VA
  Startpagina
  Curriculum
  Agenda
|    
  Gemeenteraad
  Provincieraad
  Bevoegdheden
|    
  Verwijzingen
  Verkiezingen
  Publicaties
|    

 

     
  Contact stadhuis:
  Korenmarkt 10 | 8870 Izegem
  051- 33.73.00 | 0486- 63.46.13

  kurt.himpe@izegem.be 

 
  Contact privé: 
  Baronstraat 4 | 8870 Izegem
  0486- 63.46.13
  kurt.himpe@n-va.be
     
     
     

 

 

Publicatie

 

Persmededelingen

Persoverzicht

 

ASO, TSO, BSO: het verschil zit vaak tussen de twee oren

Psychologos

December 2007 - Jaargang 22 - Nummer 4

Je kan geen krant openslaan, geen weekblad lezen of er staat een artikel in over het onderwijs en meer specifiek over de waardering van het secundair onderwijs in het algemeen en het verschil tussen het algemeen secundair onderwijs (ASO), technisch onderwijs (TSO) en het beroepsonderwijs (BSO) in het bijzonder. Er is duidelijk iets aan de hand.

Het loopt al mank bij de studiekeuze bij de overgang van het lager onderwijs naar het secundair onderwijs. Al te vaak maken ouders onmiddellijk de keuze voor een ASO-studierichting en daardoor starten veel leerlingen in een studierichting die hen niet past. Ouders stimuleren hun zoon of dochter nog te veel om een ASO-richting te volgen, omdat studierichtingen die op een toepassing gericht zijn als minderwaardig beschouwd worden tegenover studierichtingen die denkwerk eisen. Dat is een foute redenering, want ook technische richtingen zoals industriële wetenschappen, elektromechanica of elektriciteit-elektronica bieden alle kansen. De leerlingen met een foute keuze komen via een watervaltechniek uiteindelijk in een voor hen gepaste studierichting terecht. Maar dan hebben ze door die foute keuze één of meerdere jaren achterstand en hebben ze bovendien met de stempel "mislukking" kennisgemaakt. 55 % van de beroepsleerlingen zat eerder in een ASO- of TSO-richting. Ook het onderwijs treft schuld. In het basisonderwijs komen techniek en technologie weinig aan bod en het evaluatiesysteem is nog te veel op kennis en kennisoverdracht gericht.

In Vlaanderen heeft het "watervalprincipe" heel lang de instroom in het technisch onderwijs gedomineerd. Teveel ouders kiezen voor ASO en zien een technische opleiding slechts als een tweederangs uitwijkmogelijkheid wanneer hun kind niet geschikt blijkt voor het ASO.

Het is een paradox: in bepaalde regio’s geraken vele vacatures nauwelijks of niet ingevuld. Die knelpuntberoepen zijn nochtans niet alleen "vuile" of slecht betaalde jobs. Vaak handelt het om probleemberoepen die een uitstekende kans bieden op vast werk en een goed loon. En toch kiezen heel wat jongeren niet voor de opleiding die zicht biedt op zo'n toekomstberoep.

Doorstroming naar het hoger onderwijs

De discussie gaat intussen verder dan de studiekeuze die gemaakt wordt bij de overgang van het lager onderwijs naar het secundair onderwijs.

Marc Verminck, docent Filosofie aan de Hogeschool Sint-Lukas Brussel, stelde in een opiniestuk in De Standaard (1 oktober 2007) dat de doorstroming naar het hoger onderwijs fout loopt. In het opiniestuk stelde hij dat het hoger onderwijs voor de meeste leerlingen uit het technisch onderwijs niet haalbaar is. Dat is wel heel ongenuanceerd.

Heel wat technische opleidingen zijn specifieke vooropleidingen voor het hoger onderwijs: industriële wetenschappen, elektromechanica, elektriciteit-elektronica. Deze hoogwaardige studierichtingen zomaar afschrijven is meer dan een onderwaardering van de kwaliteitsvolle opleiding in technische scholen.

Dat er nood is aan degelijke informatie over de slaagkansen in het hoger onderwijs na een technische of beroepsopleiding is correct. Die taak is in de eerste plaats weggelegd voor het Centrum voor Leerlingenbegeleiding (CLB) en de scholen zelf.

Maar ook op dit vlak vergeet Verminck een belangrijk aspect. Ook leerlingen uit het ASO hebben het steeds moeilijker om hoger onderwijs succesvol aan te vatten. De studiekeuze bij de start van het secundair onderwijs loopt al fout. Heel wat leerlingen kiezen alleen voor het ASO omdat het technisch onderwijs ondergewaardeerd wordt. Door de keuze voor het ASO worden die leerlingen bijna verplicht om hogere studies aan te vatten. Een ASO-diploma is immers een ticket voor verdere studies, maar biedt op zich geen kansen op de arbeidsmarkt. De slaagkansen van deze ASO-leerlingen zijn dan ook heel klein: hoger onderwijs is steeds meer gericht op de betere student.

Mieke Van Hecke, hoofd van het katholieke onderwijs, goot ook al olie op het vuur door onomwonden te stellen dat ze betwijfelt of TSO- en BSO-leerlingen even goede leraars kunnen worden als leerlingen die een ASO-opleiding volgden. In Klasse (Maandblad voor Onderwijs in Vlaanderen) werd geconcludeerd dat ze hiermee een oude stelling van professor Jan Van Damme brandend actueel maakte: “De afstand en het verschil in prestige tussen ASO, TSO en BSO is het voornaamste probleem van het secundair onderwijs”. En dat verschil in prestige is net een gevolg van het denkbeeld van de ouders.

Een voorbeeld: in het Leuvense is er een veel grotere ASO-populatie dan in andere streken. De ouders zijn er vaak hoger gediplomeerd en ze zien hun kinderen liever een ASO-studierichting kiezen. Vrienden, leraars, gebouwen en sociaal prestige wegen dus door.

Schaf ASO, TSO en BSO af

Ondertussen worden pogingen ondernomen om ASO, TSO en BSO af te schaffen. In drie Vlaamse proeftuinscholen stoppen ze leerlingen niet meer in ASO-, TSO- of BSO-hokjes. Zo wordt er niet meer gewerkt met studierichtingen, maar wel met belangstellingsgebieden. Binnen “economische vorming” vallen dan bijvoorbeeld de vroegere studierichtingen handel (TSO) en economie (ASO).

De impact van deze proeftuinen op het denkpatroon van de ouders bij de studiekeuze zal men echter niet op korte termijn kunnen evalueren.

Kurt Himpe (khimpe@vti-izegem.be)  is coördinator aan het Izegemse Vrij Technisch Instituut en secretaris van de Werkgroep Industrie-VTI. Hij is lid van de stuurgroep "Pet af voor technische vorming", gemeenteraadslid en partijbestuurslid voor de N-VA.